Spannendverhaaltje.nl

Kama Sutra

-
21-08-2010
Dit verhaal is geschreven door Jacob van Holland meer verhalen van Jacob van Holland Dit verhaal, oorspronkelijk een erotische vertelling uit de Oosterse Kama Sutra, is door mij opnieuw vertaald, herschreven en aangepast aan de belevenissfeer van de hedendaagse moderne lezer. Deze verhalen, in hun oorspronkelijke vertellingen spelen zich af in het Midden-Oosten, en in dit verhaal, gesitueerd in wat in die tijd Arabisch Groot Perzie heette, het tweestromenland van de Euffraat, de omgeving van de oude stadsstaat Bagdad. Deze geschiedenis is gedateerd in de periode van voor de Islamisering, deze welke plaats vond zo ongeveer 635 jaar na de geboorte van Christus. De oorspronkelijke verhalen uit die tijd worden, gelet op de toonzetting van geschriften en vertellingen die uit die periode zijn overgeleverd, als zeer vrijmoedig beschouwd.
Eerdere –vrije- vertalingen van zeer hoge kwaliteit zijn gedaan door Paul Rodenko, een schrijver die helaas vele jaren geleden veel te vroeg van ons heen is gegaan. Zijn boeken trekken, meer dan 30 jaar na zijn overlijden, nog dagelijks vele geďnteresseerde lezers. De verhalenbundels van Paul Rodenko worden steevast van de ondertiteling “Vrijmoedige liefdesverhalen” voorzien, hetwelk een aanwijzing kan zijn betreffende de inhoud ervan. Wellicht zult U, lezer, eens een van zijn boeken, wellicht uit de bibliotheek, eens inzien?
De hoofdpersoon uit deze verhalen is genaamd Nour-ed-din, een in die tijd veel voorkomende naam. Nour-ed-din is jong, knap, ongeveer 24 jaar, en in de kracht van zijn leven. Hij heeft kortgesneden zwart lichtkrullend haar en donkerbruine weemoedige ogen. Hij is ongeveer 1.80 lang, sterk en slank gebouwd, en door de natuur voorzien van een Lingham, waar hij vele meisjes gelukkig mee zou kunnen maken. Zijn vader is een niet onbemiddelde koopman, zijn moeder is een zuster van de directe assistent, de rechterhand van de Kalief. Nour-ed-din heeft een jongere zuster, Aischa is haar naam, die inmiddels de huwbare leeftijd nadert. Haar zullen we in een latere vertelling nog tegenkomen.
Op een goede dag is Nour-ed-din onderweg naar een van de pakhuizen van zijn vader om daar goederen, behorende tot de koopwaren van zijn vader, te inventariseren. Hij treft, lopend langs een naast die weg gelegen waterbron, een bijzonder mooi meisje aan. Ze was klein, zeker niet groter dan 1.70. Ze droeg een lang, tot op de grond reikend diagonaal om haar heen gewonden wikkelkleed dat rijkelijk versierd was met op goud gelijkende batikpatronen, die haar lichaam vanaf haar hals tot haar enkels bedekte. Ze had een huid als blank en transparant als albast, mooi gaaf en lichtelijk gekleurd door de zon. Ze had heel lang, golvend, zwart haar dat los om haar hoofd droeg. Welvaart en rijkdom was aan haar verschijning af te lezen.
Hij keek naar haar vanaf een afstandje en ze deed net, of ze niet in de gaten had, dat Nour-ed-din geďnteresseerd naar haar stond te kijken. Hij zag haar glanzende, diepbruine ogen, met lange zwarte omhooggekrulde wimpers en mooie, boven haar neusbrug in en smalle lijn doorlopende gitzwarte wenkbrauwen. Op haar voorhoofd prijkte een kleine hennarode stip ter bevestiging van haar geloofsrichting. Haar leeftijd zou men kunnen schatten op ongeveer 20 jaar. Ze had een mooie, ovaal gevormde mond met sensuele lippen die zich, gedurende de vrolijke gesprekken die de meisjes onder hun bezigheden door hadden, graag en voortdurend voor een lach als klaterend stromend water in een beekje opende. Ze had mooie, regelmatig gevormde spierwitte tanden.
Haar billen trilden als de gestolde melk in de nap van de bedoeďenen en de aanzet van haar borsten was blank als de besneeuwde toppen van de heilige berg en bewogen bevallig op en neer op het ritme van haar bewegingen. Mannen in haar directe omgeving die haar gadesloegen vonden het gezelschap meisjes een plezier om met hun ogen te volgen. Haar slavinnen, die zich gedroegen alsof ze haar vriendinnen waren, waren eveneens niet onwelgevallig van aanzien. De ene was lang, slank, zeker 1.90mtr, met smalle, stevige jongensachtige billen en kleine, nauwelijks welvende borsten waarvan de tepels brutaal opgericht stonden en zich duidelijk zichtbaar aftekenden tegen haar klederen. Haar gelaat was ovaal, zoals de meisjes eruit zien die uit Ethiopië komen, een schitterende diepzwarte huidskleur, met smalle, mooi gevormde lippen, gitzwarte ogen en smalle, rechtopstaande schouders, en een taille die verraadde dat ze een sterke en onvermoeibare minnares zou zijn. De tred van deze slavin was zeker en zelfbewust, alsof ze wist dat ze er voor de haar gadeslaande mannen een verleidelijk aangezicht was.
De andere slavin die hen vergezelde was in alles een geheel ander beeld. Zij was erg klein van gestalte, zeker niet groter dan 1.50, en haar uiterlijkheden verraadde, dat ze ergens uit het verre oosten stamde. Ze had een huid met de kleur van oud ivoor, heel lang, gitzwart tot haar heupen steil naar beneden hangend haar, smalle enigszins schuin staande ogen, een smal gelaat met heel fijne gelaatstrekken, een klein neusje en mondje, alsof haar gelaat door een artiest gepenseeld was. Haar lichamelijke verschijning leek op dat van een heel jong, tenger, nauwelijks geslachtsrijp meisje, doch uit haar overige trekken en lichaamsbouw kon men zien, dat ze een jaar of 19 moest zijn. Toen het gezelschap wegliep, en de enkelsieraden van de slavinnen vrolijk rinkelden, druk kletsend met elkaar, de slavinnen beiden op hun hoofd een gevulde waterkruik, keken de meisjes nog een keer om en keken Nour-ed-din recht, bijna brutaal in de ogen, en ze glimlachten geheimzinnig naar hem. Hij keek haar, het meisje dat kennelijk de meesteres was na, duidelijk in haar ban, met zijn blik vol verlangen, en keek naar haar de rondingen in haar kleding, die bewogen op een manier die hem deed denken aan het gedartel van jonge dieren, bewegingen die hem rillingen bezorgde van begeerte.
De klerk, die hem vergezelde en Yousoef genaamd was, sloeg het tafereel glimlachend gade, en toen Nour-ed-din uit de betovering van het meisje ontwaakte vroeg hij “Wie is toch dat beeldschone meisje?” kon hij, de schrijver, slechts antwoorden “Ik weet het niet, Heer, maar ik zegt u toe dat ik dit met spoed uit zal zoeken en U weldra van haar persoonlijke omstandigheden op de hoogte zal brengen!” De twee mannen, Nour-ed-din en Yousoef, vervolgden hun tocht naar het pakhuis, maar echt goed kon Nour-ed-din zijn hoofd er niet bij zijn bezigheden houden, steeds weer verscheen voor zijn geestesoog de bevallige verschijning van het mooie, geheimzinnige donkerharige meisje. Mistroostig en in zichzelf gekeerd ging hij op een baal stof zitten, terwijl de klerk het tellen en inventariseren deed en hiervan verslag schreef. Hij, Nour-ed-din, voelde nu al dat hij geen rust zou kennen voor hij met die schone bruinogige en langharige jongedame had kennis gemaakt.
Vanaf dat moment was hij niet meer dezelfde, zo verzekerde mij mensen die hem kende, hij bracht veel van zijn tijd door starend uit zijn kamerraam, met smachtende blikken kijkend in de richting van de waterbron. Hij verwaarloosde school, werk en alle overige bezigheden, voortdurend met haar beeltenis voor zijn ogen. Telkens als hij de klerk zag, vroeg hij naar de vorderingen van zijn onderzoek naar de identiteit van het meisje, maar telkens moest Yousoef hem, Nour-ed-din, teleurstellen, met de woorden “Helaas, meester, het lijkt, of ze in de lucht is opgelost!” Doch echter, op een ochtend, klopte de klerk op Nour-ed-din`s kamerdeur, en toen deze hem binnengelaten had en brandend van nieuwsgierigheid hem aankeek, zei deze: “Meester, ik heb voor U een boodschap met ernstige inhoud, het meisje dat U bedoeld heet Yasemine en is de dochter van de Kalief, ze gaat wel eens incognito door de stad om te horen wat er onder het volk leeft, en het spijt me werkelijk, maar ik denk dat een ontmoeting met haar buiten Uw bereik ligt! Meermalen hebben jongelingen naar haar hand gedongen, en telkens is er nooit meer iets van deze jongelingen vernomen. Het schijnt, dat haar vader de Kalief, op bijzonder hardhandige en hardvochtige wijze opdringerige jonge mannen uit haar omgeving weet te verdrijven”
Diep bedroeft ging Nour-ed-din, toen hij weer alleen was, ruggelings, met de handen gevouwen achter het hoofd, op zijn bed liggen om te overpeinzen wat mogelijkheden waren. Opeens, daar hoorde hij gerucht buiten, en toen hij uit zijn raam naar de waterbron keek, zag hij daar het meisje met haar charmante gezelschap! Als de bliksem rende hij naar de schrijverskamer en sommeerde hij Yousoef naar buiten te gaan, haar te volgen en te zien in welk vertrek van de Kalief`s paleis ze woonde. Na enige tijd keerde de klerk terug naar het privé-vertrek van Nour-ed-din met de mededeling dat ze kennelijk op de eerste etage gehuisvest was, in de kamer met de eerste ramen vanaf de zuidelijke hoek van het paleis van de Kalief. Nour-ed-din kreeg opeens een schitterend plan en ontvouwde dit aan Yousoef. Een meisje van haar afkomst zou zeker een hooggeschoolde en verfijnde, ontwikkelde opvoeding gehad hebben en zeker van kunst, en in het bijzonder van muziek houden. Hij zou met zijn lievelingsmuziekinstrument, de Z-as, heimelijksgewijs over de muur van het paleis van de Kalief klimmen, verdekt onder haar kamerraam plaats nemen en daar de mooiste liederen en gezang uit zijn repertoire ten gehore brengen. Haar nieuwsgierigheid zou het zeker winnen en ze zou beslist naar zijn artistieke prestaties luisteren, telkens weer, en wellicht eens zo een kans voor hem doen ontstaan haar aan te kunnen ontmoeten.
Aldus geschiedde.
Op een zekere namiddag, zeer behoedzaam, immers de paleisbewakers, de eunuchen, waren reuzen van kerels en beresterk, klom hij, geholpen door Yousoef, de klerk, over de paleismuur, kwam achter de struiken in de tuin terecht. Zittend op zijn hurken zat hij om zich heen te kijken en constateerde, zich verborgen houdend tussen de begroeiing, dat niemand kennis had van zijn aanwezigheid. Hij sloop, voorover gebukt onder dekking van het struikgewas naar de zuidelijke hoek van het paleis, en zag dat de cederhouten blinden voor de ramen gesloten waren. Dat betekende dat ze thuis was en uitrustte en zich verschool voor de brandend hete zon. Dit was tamelijk gewoon in dit land dat in de middagzon gemakkelijk temperaturen kon bereiken van 40 graden Celsius en soms nog heel wat hoger. Bij deze temperaturen speelde het openbare leven zich voornamelijk s`avonds en in de vroege nacht af, overdag deed men het rustig aan. Hij, Nour-ed-din, had echter in de verste verte geen last van de warmte en gedreven door hartstocht, opgewekt door het geestesoog van hert bevallige meisje was er niets, waarvan hij dacht dat dit hem zou kunnen tegenhouden. Hij nam gehurkt plaats onder het raam op de hoek, en streelde enkele zachte accoorden uit zijn instrument. De zoete en lieflijke klanken hiervan zouden slechts op korte afstand hoorbaar zijn, maar zouden haar, die het mikpunt vormde van zijn aanbidding, niet kunnen ontgaan. Na anderhalf uur, de zon had al een flink stuk langs de hemel afgelegd, had hij nog geen spoor van reactie kunnen waarnemen achter het raam, maar hij was er zeker van, dat hij haar aandacht wel getrokken had. Langzaam, achterwaarts, sloop hij terug naar de plaats waar hij de klerk had achtergelaten, en toen hij op gedempte toon deze bij de naam riep, kreeg hij onmiddellijk antwoord. “ Ja, Heer, kom maar!” Zo verstreken enkele dagen, deed hij voort met zijn lieflijke muziek en zang, doch telkens zonder enige reactie van achter het raam.
Tot op een zekere dag.
Hij klauterde, na zijn dagelijkse artistieke kunstuitingen, met behulp van een daar groeiende dikke boom terug over de paleismuur, en liet zich behoedzaam, zijn gezicht naar de muur, zakken, en werd, zoals gebruikelijk, stevig om zijn benen, zijn middel en zijn armen vastgegrepen, zodat hij niet zou kunnen vallen. Hij werd nu echter opmerkelijk stevig vastgehouden, en toen hij achterwaarts naar beneden keek, zag hij dat hij werd vastgehouden door enkele paleiswachters, die kennelijk in opdracht van de Kalief handelden. Hij probeerde weer terug over de muur de paleistuin in te klimmen, maat tevergeefs, de vier eunuchen waren veel te sterk voor hem. Beneden aangeland, keek Nour-ed-din met angstige ogen om zich heen en zag dat zijn klerk geboeid en met een prop in zijn mond onder een boom zat. Hij, Nour-ed-din, werd bij zijn polsen en enkels vastgebonden met een zijden touw, over de schouder, als was hij een bundel tapijt, van een van de paleiswachten geslingerd, en zo werd onze Nour-ed-din gevankelijk meegenomen naar de hoofdingang van het paleis. Daar werd, eenmaal binnengekomen, hem een blinddoek omgedaan, zodat hij er geen idee van had, wat er met hem ging gebeuren en waar ze heen gingen. Hij hoorde achter hen een dikke, zware deur dichtslaan en begreep, dat ze binnen de onneembare vesting van de paleismuren waren. Aan de loopbewegingen van de paleiswachter die hem over zijn schouder droeg bemerkte hij, dat er een trap beklommen werd. Daarna volgde enkele hol klinkende gangen, er werd voor zijn gehoor stilgehouden en een deur geopend, en eenmaal binnen zijn blinddoek en voetkluisters werden afgedaan, zijn handen bleven echter achter zijn rug gebonden. hierna verlieten de paleiswachters de ruimte en lieten hem alleen, er zorgvuldig zorg voor dragend dat de grendels die van buitenaf op de deur zaten degelijk gesloten waren. Hij keek om zich heen, en zag, dat hij in een bijna volledig lege ruimte was, slechts een divanbed en een stoel stonden er, en de kamer was voorzien van een raam dat uitkeek op de tuin. Hij liep naar het raam, en zag dat hierlangs ontsnappen onmogelijk was. Een diepte van zeker tien meter, twee etages hoogte, keek hem spottend aan. Nergens zag Nour-ed-din enige mogelijke steun voor klimmende voeten, nergens iets dat hij kon vasthouden en gebruiken om te ontsnappen.
Uit het raam kijkend met zichzelf overleggend hoe het nou verder moest, hoorde hij een gerucht achter zich, hij draaide zich om en stond oog in oog met een van de bloedmooie slavinnetjes van de dochter van de Kalief. Openlijk, zonder haar blik neer te slaan keek ze hem met spottend aan. Ze zei op hoge toon “Mijn meesteres wenst te weten wie U bent, wat Uw bedoelingen zijn en wat U telkens in de tuin onder haar raam doet, en waarom U daar gedurende Uw aanwezigheid muziek en zang bij ten gehore brengt.” Hij keek haar scherp aan. “Vertel mij liever eerst wie je meesteres is, en waarom ik met geweld hier neergezet wordt, als een misdadiger, als een boef gebonden!” “Draai U om”, zei ze op bevelende toon, en nadat hij dit gedaan had werden zijn handen uit het touw bevrijd. “Mijn meesters is de dochter van de Kalief, haar naam is Yasemine, en haar macht reikt zeer ver…. De macht van haar vader, de Kalief, reikt echter nog veel verder, is het U bekend, dat de Kalief een probaat middel heeft tegen opdringerige jongemannen?” Terneergeslagen moest hij bekennen, dat dit hem inderdaad ter ore was gekomen. “Mijn naam is Nour-ed-din” sprak hij, “ Ik ben de zoon van Al-ad-Din, de koopman, die ook regelmatig aan de Kalief en zijn gevolg goederen en kostbare stoffen levert. Mijn moeder is Lai-le, de zuster van de persoonlijke assistent van de Kalief… ” “Ik zal Uw persoonlijke omstandigheden zo aan mijn meesteres, Yasemine, overbrengen. Zij zal beslissen of ze zelf Uw zaak afhandelt of U overdraagt aan de paleiswacht van de Kalief” sprak het meisje. Ze knikte met haar hoofd een lichte buiging en liep achterwaarts naar de deur, waar ze op een bepaalde wijze op klopte, waarna de deur voor haar geopend werd. Achter haar zag Nour-ed-Din enkele enorme eunuchen, die de wacht hielden. Langs die weg ontsnappen zou onmogelijk zijn, begreep hij. Terneergeslagen ging hij op de rand van het bed zitten, en moedeloos steunde hij zijn hoofd in zijn handen.
Vergeet niet te stemmen! Ik schrijf deze verhalen voor jullie plezier, dus als je van dit verhaal genoten hebt, geef dan het cijfer dat het verhaal je waard is!
Aantal keer gelezen:
261
Beoordeel dit verhaal:
(10 beoordelingen)